Geregeld heb ik meegewerkt aan verzamelbundels, waarin ik met andere dichters heb samengewerkt. Daarbij waren gedichtenbundels, waarbij ik de kar trok (steeds met een werkgroep) om de gedichten te verzamelen en te publiceren. Dat leidde tot de bundel ‘Rijm op de Keien’ en tot ‘Waar mijn woorden vleugels werden’. Ook Pien Storm van Leeuwen wist meerdere malen een grote groep dichters bij elkaar te brengen. Steeds opnieuw leuk om met collegadichters aan zo’n resultaat te werken.
Hieronder een aantal voorbeelden:

De dichter Ingmar Heytze leverde een bijdrage aan de bundel. Bij de presentatie van de bundel mocht ik hem interviewen.

En dan een eigen bijdrage aan de bundel:
Halverwege ons gesprek
Ik bel je, app je, spreek af, station Breda.
maar de voorbije weken verdween je toegankelijkheid.
Waar je altijd open was, ben je nu gesloten.
De muren die je hebt opgebouwd zijn hoger
dan de hoop die ik durf koesteren.
Toch, als ik om je heen draai en je aanspreek,
bereik ik onverwachts jouw andere kant.
En jij, je drinkt koffie uit een beker
met je eigen naam erop,
vertelt verhalen in een sneltreinvaart:
ze lijken van weinig waarde,
willen niet arriveren op het perron van mijn gedachten.
Ik maak een tussenstop, stap over op een ander onderwerp,
en nog voor ik vertrokken ben, stap jij alweer uit.
Ik roep, gebaar, zoek de ruimte van brede gangen,
wil mijn zinnen bouwen op een witmarmeren vloer,
vind woorden die transparant zijn, helder als glas.
Maar de deuren, de ramen waarlangs ik je bereiken wil,
ze lijken dichtgemetseld en alles wat ik klets,
ketst af op de bonte verzameling stenen
van je weerspannig antwoord.
Halverwege ons gesprek
staat plots die ene, witte wand.
Twee mensen die hopeloos reiken
naar een deur die onverwachts
in het slot is gevallen.
Ons lot.
Wij zullen nooit het centrum
van de stad bereiken.
Uit: Rijm op de Keien, gedichten over Breda, 2015

C. & A. van GORP - LEDERFABRIEK
Achter deze donkere muur
rolluiken, stalen ramen
liggen kantoor en magazijn
samen zwijgend en leeg
Verder terug het mooie
ensemble van hallen
een nathuis, kalkerij
de kuipen voor het looien
Vergeefs zoeken mijn ogen
naar het wetten van de messen
en het vlezen van de huiden
het chemisch ontharen, het vetten
heel het menselijk verhaal
dat in ongebluste kalk verdween
Rijen rook zijn eigen Cuir Noir
een parfum van leer en rottend vlees
van chroom en kippenstront
van stoom en blauwe melk in sloten
achter een groen gordijn
verbergt een klimop
de vergeten naam
C. & A. van GORP
LEDERFABRIEK
Uit: Waar mijn wortels vleugels werden, gedichten over Gilze-Rijen, 2019

Ondanks de regen
1667
Kom en luister naar de proclamatie:
De hele wereld ziet er anders uit.
Trompetten schallen, klokken luiden:
De vrede is een feit. De regen ook!
Het slotakkoord klinkt magnifique,
diplomaten krijgen braad en dure wijnen,
verblijden zich met goed gevulde meiden,
want, oh-la-la, Breda, c’est chique.
Mannen, vrouwen, dansen in de plassen
en vuurwerk wordt ontstoken op de kade,
het Spanjaardsgat wil baden in het licht.
Een roze olifant spuit vele liters rode wijn.
Breda, het bruist en viert de lieve vrede.
En, ja, de regen komt met bakken naar beneden.
Uit: Rijm op de keien, vrede in Breda, 2017

Reusel en spekvet In het dorp aan de Reusel, langs het groen van beukenhagen, in de schemer, zwoele avond, ziet hij, voor 't eerst, een vrouw. Zo'n meisje uit de Looierij, met schoenen uit een schuurtje kleren, sleets en vaal, maar, hemel, zó bekoorlijk. Hij ruikt de geur van bonen, ziet de glans van spekvet. hij ziet, begeert en scheldt haar uit, de slet... Uit: Moergestestel gedicht, dichtbij Moergestel, 2017

Het zijne
Gestalte
uit één stuk geweven,
rood als koperdraad
de haren
rond het schoon gelaat,
ziel en ogen zien mij aan.
Geen asiel in het zijne,
in een wereld
waar een meerkoppig monster
zijn ijzeren vuist
steeds wilders dansen laat
op het wit
en maagdelijk gezicht.
Blind
voor het licht van zijn ogen
en haaks op de mare
van vrede en mededogen
kronkelt een stekeldoorn
om zijn hoofd,
want nee,
het zijne erkent hem niet.
Uit: Vroom, Frivool, Vilein, poëtische vensters op Jeroen Bosch, 2016

Je wortels ontbloot
Als sliertig zeewier
liggen je haren
aan de randen van je ronde,
melkwitte duinen.
Verward door wroeging
wringen zich voeten, tenen,
getekend door
boete,
regen,
tegenwind,
in de verstuivingen
van tijd en eeuwigheid.
Je wortels,
losgeraakt, ontbloot
verlangen naar water, milde dauw.
Woestijn,
een stem die roept:
Ik ben er voor jou.
Uit: Omtrent Vincent, zoektocht naar de poëzie van het onvergankelijke, 2015