Verwekpot
Het lukte in 1983 om mijn eerste officiële gedichtenbundel uit te geven. Het was een klein, eenvoudig bundeltje, uitgegeven bij Uitgeverij Wel uit Bergen op Zoom. Op de voorzijde staat een ets van kunstenaar Bas de Groot. Mona le Maitre begeleidde het project vanuit de uitgeverij en zij werd ondersteund door Albert Hagenaars. Na deze bundel publiceerde ik nog verschillende keren bij literaire bladen, zoals ‘Naar Morgen’. Hieronder drie gedichten uit mijn debuutbundel:

Goddelijk had ik willen zijn
Goddelijk had ik willen zijn;
als lava willen gloeien
en uit de oerkracht van haar krater
had ik bloedrood willen vloeien.
Voor moeder was ik bloedkoraal,
geregen aan een streng.
Ik draag haar stempel op mijn buik.
Daar moet ik openbreken,
tekens van taal ontsteken.
Ik kan niet zwart op wit bestaan,
ik ben geen feit, gestold in de geschiedenis;
ik wil geen vlees, ik wil geen naam;
ik wil alleen maar wil zijn, bloedvulkaan.
Verwekpot
Met Lennon in gedachten
Straten, groot en slenterrijk,
waar huizen in de rij staan voor geluk;
als stuk voor stuk te kijk
de sterren aan de hemel staan.
Het “brood en spelen” wordt gepreekt;
men wil een horzel die niet steekt
door neon-romantiek gekweekt.
Jai Guru De Va Om
Een postbode heeft mij verteld:
“onder de grond wordt niet besteld”.
Een mens vergaat en komt niet meer,
dus zand erover, laatste eer.
Ramen worden geblindeerd,
herinneringen gecremeerd,
de hoop wordt door de dood onteerd.
Een boek schreeuwt zijn gebarentaal,
verwekpot van een ongehoord verhaal.
Een schrijver activeert
een zaal die door de angst verteert.
Hij is zichzelf, zijn eigen brood,
voor grenzen is hij als de dood,
maar als het steekt, wordt hij bespot,
als een vleesgeworden, bange God.
Vastenavond
Roert de trom voor het laatste bal
het narrenschip komt aan de wal.
Je blauwe overal wordt schoongestoomd,
vuiltjes uit de lucht gedroomd.
Vandaag of morgen, hoeveel dagen?
Solaten stellen toch geen vragen.
Voor koningin en vaderland,
het narrenschip op onze hand.
Om te regeren moet je gaan vertalen,
het vrije denken stuk gaan malen,
de slavernij moet weer ontketend,
twee en twee als vijf gerekend.
In het vaandel staat geschreven:
Schenk de dood aan al die leven.
Voor koningin en vaderland,
het narrenschip op onze hand.
Krom je rug voor het gevecht,
je grote broer heeft het gezegd:
“Vier ruiters komen naar de aarde,
zoals Johannes openbaarde:
Oorlog, ziekte, gebrek en dood.”
De hemel ademt avondrood.
Voor koningin en vaderland,
het narrenschip op onze hand.
Je ouwelui zijn dood, wat geeft het,
Narren, spanning, jij beleeft het.
Maar ook jij wordt overwonnen,
sappig vlees voor de kannonnen.
De horizon, een laatste stip,
de narren lachen van hun schip.
Voor koningin en vaderland,
het narren…
oh nee…
er is echt niets aan de hand.