Bosnimf
Ergens, ver weg,
spuit jij je plooien glad
en verft je haren jong.
Maar op dit eiland
veegt een bosnimf druppels,
veegt met snelle handen
de sterren van haar huid
en wordt met oker,
goud en licht beschilderd
door het zacht penseel van de maan.
*
Behoedzaam stapt zij
over omgevallen bomen,
dwaalt tussen takken,
weet nog wat woorden,
zoekt tussen struiken en doorns
de zinnen die snakken naar lucht,
want ergens zijn beelden
die smeken te worden gevonden,
ergens zijn ogen
die zien: zij is huid.
*
Een enkel ogenblik
worden haar schouders en rug,
haar heupen, slanke benen
met blikken aangeraakt.
Haar wonderwereld bloost
en sensatie smeult
in haar lijf en leden.
Ze ruikt de geur, de opwinding,
voelt de schokjes in haar lijf,
dat ze misschien gezien wordt,
dat het knettert, flitst.
*
Haar angst ontvlamt,
een vuur dat niet kan spreken,
water dat vervliegt,
nevel die verwaait
en struiken die verward
uiteen gaan.
Haar ziel bidt
dat ‘t onweer, dat de wereld,
een sprookje zal blijken.
*
Ze rent
voorbij de lijsterbes
die vurig oplaait,
rood en geel;
rent voorbij het mos,
verliest haar bladeren
fris en groen,
verliest
door de bomen
het bos en de tijd
en zichzelf,
wijkt uit
vindt een wilg
en verdwijnt.