In 2011 begon ik aan een cyclus gedichten over de Bijbelse Koning David. Mijn gedichten kregen een episch karakter en de bundel werd opgebouwd als een klassiek drama, in vijf delen. Al schrijvend werd het voor mij heel helder: De Bijbelboeken, waarin het verhaal van David staat, schrijven zijn geschiedenis, maar willen allereerst profetisch zijn. Profetisch betekent in dit geval dat de schrijver, vanuit zijn geloof, een zeer kritisch commentaar op het doen en laten van koning David geeft. De grote koning wordt niet gespaard. Het opende voor mij de mogelijkheid om in de geest van dit profetische karakter het materiaal te voorzien van kritische actualiserende elementen.
De bundel is opgedragen aan Daoud Nassar , een Christelijk Palestijnse boer in Bethlehem, verwikkeld in een juridische strijd tegen de staat Israël. Hij wil het stuk grond behouden dat al meer dan een eeuw in het bezit van de familie is. Hij voert zijn strijd geweldloos.

De bundel verscheen in 2018. Uitgeverij Van Kemenade zorgde voor een prachtige bundel. De foto’s van journalistiek fotograaf Jeppe Schilder versterkte de actuele betekenis van de tekst.
Ik heb hieronder vier gedichten en twee foto’s uit de bundel opgenomen. Eén gedicht werd vertaald door Annelies Luteijn – Van Uden.

Als de dagen komen
Als de dagen komen
dat tussen de horde van de Filistijnen,
tussen de paarden in vol galop, zwetend,
dampend aan de overkant van het dal in Efes-Dammim,
dat tussen die stieren met hun Gaza-kop,
tussen die vijanden, heidenen, wilde zwijnen,
tussen die stampende, duwende, alles vertrappende
troep van wilde zwijnen,
dat uit die heidense horde
een tank tot leven komt,
stapt Saul lang en statig
uit zijn tent,
spreekt de wachters aan.
Temidden van knorrende, burlende geluiden,
terwijl de geur van omgewoelde aarde
in de haren kruipt,
maken techneuten aan de overkant
van het dal in Efes-Dammim,
rupsbanden van ijzeren vlinders:
een pantser van pannen,
een man van staal, cyclopenkop,
een loop van lengte, Goliat,
een had-je-wat beul met ballen,
met schenen, schitterend als de opgaande zon.
Daarginds maken mannen van de wetenschap
een reus die, bronstig als de herfst,
met zijn dorstig kromzwaard penetreert,
binnendringt in vlees
van vers geleverde soldaten.
Overdadig begenadigd
Overdadig begenadigd,
en met kop en schouders
ontstegen aan de middelmaat,
is Saul,
een akkerbouwer
uit de stam van Benjamin,
een olijfboom met olie voor doop en wijding,
voor zongerijpte wentelteefjes op een strand,
voor salade met geitenkaas in het restaurant;
een vijgenboom met takken vol bruidskussen,
met vijgen, geitenkaas en honing voor zijn onderdanen;
een wijnstok met druiven, als krenten in de pap,
met druiven zoet, vruchten geperst,
prikkelend de geest.
Maar Saul verwordt
tot een braamstruik, vruchteloos.
Wie wil schuilen in zijn schaduw
wordt beschadigd door zijn doorns.
Wie de schaduw wil ontvluchten,
wordt getroffen door zijn wrok,
door zijn toorn, vuur en vuist.
Hongerstakers scanderen salam,
shalom schreeuwen demonstranten.
Special news item
A special news item
seems scripted, minutely described
every unnecessary scene has been cut.
In an hour, in fifty precious minutes,
interrupted thrice by commercials,
a boy, without armour, kills
a giant, thought invincible,
the boy ousts, defeats two patrols.
The last ten minutes of this episode
with a hundred commandos at his side,
he uses a thousand bullets to kill ten thousand Philistines.
And when his weapons fall silent,
Saul’s daughter, Mikal, remains
glued to the screen, panting, staring
at his hair, glowing copper,
at his cheecks, with those freckles.
There’s no woman who doesn’t share her desire,
who doesn’t listen to the lovely theme
the hero is now playing on his harp.
The director nods approvingly
at this unexpected ending.
Another shot of the play
of sun and shadow on his hair,
and a shot of the head,
the giant head, lying at his feet.
At the very ending, just over the closing credits,
women sing of a thousand killed by Saul,
ten thousand killed by David,
a chorus of silvery women’s voices sing sweet tones,
a sweet tune by Morricone.

In de wildernis
In de wildernis,
voorbij het prikkeldraad
en de grenzen van het koninkrijk,
richt Jonatan zijn pijlen,
peilt of David van een nieuw verbond
met hem wil horen.
Nooit was Jonatan verliefd,
op geen vrouw verliefd,
als nu, op David;
vindt hem,
sluit hem in zijn armen.
Op de bodem van zjn ziel,
vrij van vrees en hinderlagen,
ontwaakt een vogeltje.
Nooit was hij verliefd,
op geen vrouw verliefd,
als nu, op David.
Deze jongen is een psalm
op vleugels gedragen,
een hymne die hem meeneemt
van de ene hemel
naar de andere.