De volgende twee gedichten schreef ik voor Station Breda. Ze kreeg een plaats op een grote zuil bij het busstation:
In Breda hebben de mensen de tijd
Geef me een kwartiertje
morgen is ’t er
volgende week heb ik ’t in huis
want in Breda hebben mensen de tijd
En als je hem dan aan de lijn hebt
en als je haar eindelijk ziet
Geef me een kwartiertje
morgen is ’t er
volgende week heb ik ’t in huis
want in Breda hebben mensen de tijd
En als je hem dan aan de lijn hebt
en als je haar eindelijk ziet
Geef me een kwartiertje
morgen is ’t er
volgende week heb ik ’t in huis
want in Breda hebben mensen de tijd
En als je hem dan aan de lijn hebt
en als je haar eindelijk ziet
Geef me een kwartiertje
morgen is ’t er
volgende week heb ik ’t in huis
want in Breda hebben mensen de tijd, enz

De jongste dag
Geen kleed,
geen zilver en geen goud,
geen woord verkeerd,
geen beeld dat zich vals
tussen jou en mij wringt.
Als we naakt
voor elkaar staan,
gaan onze ogen open,
lopen buur en overbuur
in alle rust over het water
van de singels
jouw gezicht tegemoet.
De zon gaat op
als we door het Valkenberg gaan
en iedereen zich schouder aan schouder
neervlijt op de keien van de Catharinastraat,
en de straten van de stad,
de steden van de wereld;
ze baden in het ochtendlicht.
